Robby Roks over Drill Rap
Robby Roks is criminoloog. Hij is een van de mentoren bij ADAMAS. Als criminoloog liep Robby een paar jaar mee met een Haagse gang en onderzocht het lokale en territoriale aspect van straatcultuur en muziek. Een gesprek over grill rap en de agressie die mee gepaard lijkt te gaan.
Fotografie: Stacii Samidin

Door: Robin van den Maagdenberg

In 2019 bezoek ik een buurthuis in Amsterdam Slotervaart. De dame die het huis bestiert en er dag en nacht jongeren uit de wijk opvangt en begeleidt, geeft me een korte rondleiding. Ze wijst de twee uitgangen aan, deuren die uitkomen in verschillende postcodegebieden. Verbaasd vraag ik waar die voor bedoeld zijn. Sommige jongeren kunnen ’s avonds niet in de verkeerde wijk naar buiten stappen, legt ze uit, dan lopen ze de kans neergestoken te worden door een rivaliserende groep die zich de wijk heeft toegeëigend. Ik weet niet wat ik hoor. Zijn postcodegebieden de nieuwe grenzen die tot de tanden toe bewapend moeten worden verdedigd of is de werkelijkheid anders dan het lijkt?

Steeds vaker lijkt identiteit samen te hangen met de plek waar je vandaan komt. Ook in straatcultuur sluiten jongeren zich aan bij lokaal georganiseerde groepen uit verlangen naar geborgenheid en gedeelde ervaringen. Soms vinden die groepen een online podium, in de (drill)rap bijvoorbeeld, om te uiten wat er leeft. Drill is een hyperlokale vorm van gangsterrap die is komen overwaaien vanuit Chicago naar het Verenigd Koninkrijk, waar het verder vermengd is geraakt met straatcultuur en inmiddels inspireert het ook jongeren uit Nederland om een vorm van muziek te maken waarin jongens in zwarte outfits met bivakmutsen op zwaaien met kalasjnikovs en shanks: zelf in elkaar geknutselde steekwapens. De afgelopen 2 jaar vinden er (dodelijke) steekpartijen plaats in Amsterdam en op de pier in Scheveningen. Jongeren met bivakmutsen die elkaar op Instagram en YouTube bedreigen, ruzies die lijken te beginnen en te eindigen als een strijd om territorium. Vaak worden deze conflicten in de media in een adem genoemd met drill, maar is die relatie wel zo makkelijk gelegd?

Achter de gewelddadige poses van de gang leden gingen mannen in andere rollen schuil: sociale, betrokken, humoristische mannen.

Ik spreek de Rotterdamse criminoloog Robby Roks erover aan het begin van 2021. Er is minder beweging dan ooit in de straten, Nederland is in lockdown, we spreken elkaar daarom digitaal. Roks publiceerde vorig jaar een onderzoek naar drill-rap in de Rotterdamse context maar bestudeerde het lokale en territoriale aspect van straatcultuur al eerder voor zijn proefschrift. Vanaf 2011 liep hij drie jaar mee met de Haagse bende de Crips, die geen letter verschillen van hun Amerikaanse voorbeeld en zich ook op andere terreinen laten inspireren door de gang uit Los Angeles. Het balletje was gaan rollen toen Roks een boek van Saul van Stapele las over de Haagse gang. Op dat moment kwamen ineens alle dingen samen die hij interessant vond: Criminaliteit, straatcultuur en hiphop. ‘Ik vond dat boek zo tof dat ik een mailtje stuurde naar het emailadres dat achterin stond, om informatie te vragen over een CD die bij het boek zat. Tot mijn grote verbazing kreeg ik de volgende dag een mailtje terug van een van de hoofdpersonen: Keylow of Delano R., die nu overigens hoofdverdachte is in een grote liquidatiezaak.’ Het was het begin van een drie jaar durend veldonderzoek, waarin Roks met de gangleden rondhing, erbij was als ze muziek maakten, een begrafenis bezocht van een geliquideerd lid en er soms met zijn neus bovenop zat als de groep een wapen tevoorschijn trok of een halve kilo coke op tafel gooide, maar waarin hij ook ervoer hoe saai het leven van een gangster vaak was, in de uren dat ze met elkaar op straat rondhingen en de actie uitbleef. Had Roks vooroordelen over de groep voordat hij aan het traject begon? Ja, hij had allerlei ideeën over het criminele leven. Maar de Crips hadden net zo goed vooroordelen over de witte, hoogopgeleide Roks die volgens hen daarom ook wel uit een welgestelde familie moest komen. Uiteindelijk was het vooral de duur die ervoor zorgde dat er vertrouwen ontstond waardoor Roks een kijkje kreeg in het leven van een criminele groep voorbij de ideeën die hij erover had. Het was niet allemaal succes en geweld wat de klok sloeg, er waren tijden dat er niet veel geld werd verdiend. En achter de gewelddadige poses van zijn respondenten gingen mannen in andere rollen schuil: sociale, betrokken, humoristische mannen.

In zijn proefschrift las ik iets wat me intrigeerde. Helemaal in lijn met het beeld dat we hebben van Amerikaanse gangs - denk aan de cornerboys in de serie The Wire (die zich afspeelt in Baltimore), waar de straathoek de plek is om te strijden met rivalen en politie - gingen de mannen van de Crips op de hoeken van de Haagse straten staan posten, hood patrol. Met als enige verschil dat er geen tegenstander was om hun wijk tegen te verdedigen.

Het belang van een lokale context is niet beperkt tot gangs en tot crimineel gedrag, het is voor heel veel mensen belangrijk. Zodat je je kunt identificeren met waar je vandaan komt en dat dat onderdeel wordt van je identiteit.

De straathoek de plek is om te strijden met rivalen en politie.

Werd het in die situatie verleidelijk voor de Crips om daadwerkelijk tegenstanders te creëren, vraag ik Roks. ‘Dat is niet wat ik tegenkwam in mijn onderzoek’, zegt hij. ‘De vijand werd hier niet zo tastbaar als we nu bijvoorbeeld zien bij drill. Maar het is wel het idee van een stereotype gangcultuur. Dat je een groep vormt op basis van rivaliteit. Er moet dus iemand zijn waar je tegen bent. Het belang van een lokale context is niet beperkt tot gangs en tot crimineel gedrag, het is voor heel veel mensen belangrijk. Zodat je je kunt identificeren met waar je vandaan komt en dat dat onderdeel wordt van je identiteit. Je ziet voornamelijk in straatcultuur dat zeker de wat minder rooskleurige delen van de stedelijke context worden omarmd. Dat het stigma tot een vorm van trots wordt gemaakt. Daarmee zeg je eigenlijk dat het feit dat je uit een slechte buurt komt, ook iets over jou zegt, namelijk dat je een gevaarlijke jongen bent. Alleen is het idee van rivaliserende wijken door de Crips overgenomen uit Los Angeles en geïnternaliseerd, met bijbehorende stereotypen, terwijl de realiteit daar in dit geval niet aan voldoet. Er zijn geen anderen die die buurt van hen proberen af te pakken, ze hoeven zich hier niet te verdedigen.’

Het is een belangrijk thema in de onderzoeken die Roks doet. In een wereld waarin fictie en realiteit steeds vaker over elkaar heen schuiven, vragen we ons steeds vaker af in hoeverre de fictieve wereld de realiteit gaat bepalen. Filosoof Jean Baudrillard bedacht de term simulacra om aan te geven dat de imitatie van iets steeds vaker het origineel vervangt. Datgene wat we hebben gemaakt om in eerste instantie iets anders te representeren wordt geleidelijk aan belangrijker dan het origineel waarop het ooit was gebaseerd. Die verwarring tussen fictie en realiteit wordt meer dan ooit versterkt door sociale media.

Roks: ‘Neem nu drill. De videoclips en de imago’s worden vaak gerepresenteerd als echt. Nu zijn er vaak ook wortels in de realiteit – die jongens hebben vaak veel meegemaakt op straat - maar die worden groter gemaakt dat ze echt zijn. Hoe authentieker iemand kan voordoen dat hij gevaarlijk is, hoe meer mensen ernaar willen kijken, hoe meer aandacht. De technische savyness van jongeren is bewonderenswaardig, maar kunnen ze de pose nog onderscheiden van de realiteit?’

Fotografie: Stacii Samidin

In deze subculturen scoort ‘gevaarlijk zijn’. Meer wapens zorgen voor meer likes. Net als in een videogame wordt online met grafische scoreboards bijgehouden wie de echte bad-ass is, wie een andere groep durft te beledigen door zijn voetsporen achter te laten op voor hem ‘verboden terrein’, en – zorgwekkender – wie de ander durft te steken, waarin het hoogste aantal punten kan worden behaald door een rivaal te steken in de vitale organen. Een spel wat ook in Nederland voor een aantal jongeren al eindigde in game-over.

Volgens Socioloog Forrest Stuart is drill een symptoom van de aandachtseconomie, waar we allemaal onderdeel van zijn en waar jongeren steeds vaardiger gebruik van maken. Voor een groep jongeren die op een andere manier weinig kansen krijgt, vanwege hun achtergrond, huidskleur en de sociale klasse waarin ze zich begeven, zijn sociale media een manier om voor zichzelf alsnog te krijgen wat ze elders niet krijgen en wat in deze economie bepalend is voor succes: gezien worden, micro-celebrity zelfs. Hij legt het zwaartepunt van dit probleem dan ook niet bij de jongeren, maar bij de samenleving die geweld verheerlijkt en daar graag zijn aandacht aan schenkt. Dat een groep jongeren, waar toch al een hoop vooroordelen en stigma’s aan plakt, daar handig op inspeelt, is volgens hem niet meer dan een logisch gevolg in een situatie waarin je weinig te verliezen hebt.

Het lijkt in Roks analyse - en ook Stuart benadrukt dat veelvoudig – vooral een kwestie te zijn van beeldvorming. Zolang anderen denken dat je gevaarlijk bent, heb je de hoogste – virtuele – status. Nu drill zoveel wordt uitgelicht in de media, en we in bepaalde wijken al gewaarschuwd worden voor territoriaal geweld, lijkt het erop dat jongeren de beeldvorming inmiddels zo hebben beïnvloed dat ze niet alleen onderling geloven in de wereld die ze met zwarte outfits, zelf gefabriceerde wapens en voor een klein budget geproduceerde videoclips hebben geschept, maar dat we allemaal zijn gaan geloven in de situatie zoals zij hem graag willen voorstellen. Moeten we onze aandacht een andere kant op sturen?

Roks: ‘De territorialiteit die je in de Nederlandse context ziet is voornamelijk symbolisch. Het is niet zoals in Chicago of in de UK, waarin het overschrijden van een postcodegrens daadwerkelijk levensgevaarlijk is. Hier kan je elkaar natuurlijk ook uitdagen en beledigen door in elkaars buurt te komen en het kan inderdaad voorkomen dat als je in de verkeerde buurt loopt dat je klappen krijgt. Dat is alleen geen nieuw fenomeen en het is niet beperkt tot de steden. Ook op het platteland komt het voor dat er vechtpartijen zijn tussen dorpen. Dat hoort bij jonge mensen en groepsgedrag. In drill wordt daar veel mee gespeeld.’

Als je iets zegt op sociale media slaat dat terug op de realiteit.

Wordt het symbool dan niet snel tot realiteit, vraag ik. Roks: ‘Ik denk dat dat heel erg afhankelijk is van hoe wij daar als samenleving mee omgaan. We moeten niet te snel meegaan met wat jongeren zeggen en het beeld dat ze van zichzelf willen neerzetten. Dan krijg je namelijk al snel het idee dat je niet kan rondlopen zonder een mes omdat er in de bepaalde wijken veel geweld is. Ik wil er niet aan voorbij gaan dat het in sommige situaties gevaarlijk is, helaas is dat ook een realiteit voor sommige jongeren. Maar het is ook goed om tegenwicht te bieden aan de vrij heftige narratieven die bewust worden neergezet, omdat reputaties er garen bij spinnen. Als je je buurt zo kan verkopen is dat goed voor je muziek, voor de identiteit die jongeren willen uitdragen. Maar de kracht van mythes is hardnekkig, want jij wil niet degene zijn die net wel de verkeerde uitgang neemt en neergestoken wordt.’

Ik vertel Roks over een dertienjarige jongen die ik het afgelopen jaar leerde kennen. Hij is geïnteresseerd in drill en neemt de boodschap die daarin uitgedragen wordt heel serieus. Onlangs werd hij door een tienjarig jongetje uit de buurt met een mes bedreigd, hij moest zijn dure jas opgeven. Inmiddels heeft hij zelf ook een mes op zak als hij aan het voetballen is, de straten zijn een jungle in zijn ogen. In de berichtgeving lijkt het erop dat hij niet de enige is die er zo over denkt, jongeren zouden steeds vaker en steeds jonger rondlopen met een wapen op zak. Roks beaamt, dat zijn zorgwekkende ontwikkelingen. Maar helaas spelen die ook al langer en zijn ze niet alleen gerelateerd aan drill. Als je mooie dingen hebt, kunnen die worden afgepakt en daardoor kunnen mensen zich gaan bewapenen. De leeftijd is schrikbarend, maar Roks wijst ook op de cijfers, als we daarnaar kijken gaat het goed met het algemene beeld van jeugdcriminaliteit. Slecht bij een klein deel is een verruwing te zien.

Als we de drill even zien als een symptoom van een groter probleem, zeg ik, waar is het dan echt om te doen? Aan de ene kant zien we in cijfers een daling van de problematiek. We leven blijkbaar in een realiteit die gemoedelijker is dan ooit – met verschrikkelijke uitzonderingen – vinden we het daarom zo fijn om het geweld dat plaatsvindt uit te vergroten? Als compensatie voor het gebrek aan spanning dat we ervaren?

Een interessante hypothese, zegt Roks, maar hij nuanceert meteen: ‘Die verheerlijking van geweld is niet nieuw. Hollywood heeft een lange traditie op dat gebied en gangsterrap doet hetzelfde, dat zien we al sinds de jaren ’80. In het algemeen zou je kunnen zeggen: straatcultuur wordt geconsumeerd door een deel van de samenleving dat er ver vanaf staat.’ Vanuit veilige huiskamers bingen we series en films over het kwaad en zoeken we op YouTube naar video’s waarop jongens elkaar bedreigen met geweld.

Ik werp tegen dat er in mijn ogen toch een verschil is. Waar we ons voorheen nog laafden aan creatieve uitingen, waarbinnen geweld en het kwaad getransformeerd worden in een nieuwe vorm, lijken we nu steeds minder de artistieke vervorming te willen zien, maar de realiteit ervan.

‘Is dat zo’, vraagt Roks zich hardop af. ‘Vinden we het als consumenten echt zo belangrijk dat alles meer echt is? Dat wordt ook al jarenlang gezegd over Hiphop, maar dat idee zijn we allang gepasseerd. Kijk naar iemand als Rick Ross, een Amerikaanse rapper met een multi-miljoenen contract, waarvan uitkwam dat hij eerder in zijn leven gevangeniscipier was en die uiteindelijk zelfs gesnitcht heeft – iets wat absoluut niet past binnen het authentieke beeld van een gangster - hij verdient nog steeds miljoenen.’

— Ik chef je, ik ching je; als je zoiets van dichtbij meemaakt kan dat je niet in de koude kleren gaan zitten.

Ik denk dat we nog te vaak aan voorbij gaan aan de impact die bepaalde gebeurtenissen hebben op jongeren van de straat. Betrokkenheid bij een steekpartij, daar wordt in de muziek vrij luchtig over gedaan: ik chef je, ik ching je, ik splash je, maar als je zoiets van dichtbij meemaakt kan dat je niet in de koude kleren gaan zitten.

Het lijkt alsof ook makers steeds minder goed kunnen onderscheiden of ze iets gecreëerd hebben of dat ze zich in het echte leven bevinden, waardoor ze zich in de realiteit steeds vaker beroepen op de fictie. Ik denk aan een artikel in het NRC vorig jaar waarin werd beschreven hoe een rechtszaak verliep tegen ‘de Rolexbende’. Er werd verslag gedaan van de brute manier waarop de vaak jonge daders hun slachtoffers de horloges afhandig maakten. De rechter geeft aan dat het opmerkelijk is dat de jongens twee kanten lijken te hebben: ze zijn charmant en lief in de rechtszaal, maar staan terecht omdat ze zich hebben gedragen als genadeloze roofdieren. Opvallend was dat de daders in de rechtszaal ongelovig luisterden naar hun eigen stemmen, die waren opgenomen tijdens de daad. Het was alsof ze luisterden naar een avatar van zichzelf, alsof ze er zelf niet echt bij waren geweest.

Roks zegt: dat vind ik als wetenschapper de meest interessante vraag. Hoe kunnen jongeren nog overzien wat reëel is? Wat is er nu nog echt? Tegelijkertijd denk ik ook dat ondanks de steeds grotere vergleiding van fictie in realiteit, nog steeds veel jongeren het houden bij de pose.’

Socioloog en criminoloog Hans Boutellier geeft aan dat het ontstaan van gangs en drill-groepen vaak mede voortkomt uit het ervaren van een spirituele leegte en een tekort aan zingeving die wordt vervuld door je aan te sluiten bij een groep. Een Amsterdamse sportschoolhouder werkt met een aantal jongeren die ooit aan drill-groepen verbonden waren. Hij zegt in zijn sportschool hetzelfde te bieden als een gang, minus de destructie. ‘De jongens worden onderdeel van een warme familie, ze voeren goede gesprekken en ineens zien ze in dat het met hun vrienden op straat altijd over dezelfde lege onderwerpen gaat. Daarnaast hoeven ze hier niet steeds over hun schouder te kijken. Als ze vervolgens teruggaan naar hun drill-groep gaan ze daar ook de anderen bevragen.’

Roks zegt dat hij het woord spiritualiteit zelf niet direct zou gebruiken, maar zegt dan ook: ‘Als je het hebt over betekenisgeving en onderdeel zijn van een groter geheel dan klinkt het al minder zweverig. Dan denk ik zeker dat het waar is.’

et straatleven wordt geportretteerd als iets romantisch, maar als je continu over je schouder moet kijken omdat je mensen hebt belazerd, dan moet dat zijn tol eisen, ook voor het lichaam.
Fotografie: Stacii Samidin

Ik vertel over de sessies die we bij ADAMAS begeleiden met jongeren die een strafblad hebben of onderdeel zijn geweest van een drill-groep, en dat de hunkering naar rust juist onder deze jongeren opvallend is. Een jongen verzuchtte tijdens een meditatie dat hij zich in tijden niet zo goed had gevoeld. ‘Dat herken ik volledig’, zegt Roks, ‘ook de mensen die ik volgde voor mijn proefschrift deden aan meditatie. De behoefte om tot rust te komen is nog breder te trekken. Het leven op straat kan heel stressvol zijn. Een deel van de zelfmedicatie die je op straat veel ziet komt daar denk ik ook uit voort: het blowen om even niet aan de spanning van het dagelijks leven te hoeven denken.’

Wat is de rol van trauma bij deze jongeren, vraag ik hem. Roks: ‘Ik denk dat we nog te vaak aan voorbij gaan aan de impact die bepaalde gebeurtenissen hebben op jongeren van de straat. Betrokkenheid bij een steekpartij, daar wordt in de muziek vrij luchtig over gedaan: ik chef je, ik ching je, ik splash je, maar als je zoiets van dichtbij meemaakt kan dat je niet in de koude kleren gaan zitten. En dan hebben we het nog niet over de trauma’s die veel van deze jongeren in eerdere fases van hun levens meemaken, in gezinssituaties met geweld of ouders die afwezig zijn.’

Ik vertel Roks over een tienerjongen die ik af en toe spreek en die steeds vaker conflicten opzoekt in de buurt waar hij woont. Toen ik zijn moeder sprak over de incidenten vertrouwde ze me toe dat hij een aantal dingen in zijn verleden heeft meegemaakt die hebben geleid tot onverwerkte woede. De woedeaanvallen die hij heeft beangstigen hem zelf ook, dus zoekt hij steeds vaker adrenalinekicks om de spanning die hij vanbinnen voelt te overstemmen met externe gebeurtenissen. Het deed me denken aan soldaten die thuiskomen van het front waar ze heftige gebeurtenissen hebben meegemaakt en door een gebrek aan spanning in de thuissituatie maar een overload aan spanning in het lichaam, geweld opzoeken om binnen en buiten als het ware in balans te brengen.

Een andere jongen die ik afgelopen jaar ontmoette was twee jaar eerder gestoken in zijn borst door een onbekende voorbijganger. De jongen had er een tic aan over gehouden waarbij hij steeds over zijn linkerschouder bleef kijken. Het was alsof hij vast zat in het moment net voordat hij gestoken werd, waarin hij niet adequaat had kunnen reageren. Alsof zijn lichaam alsnog op zoek was naar een afronding en bleef herhalen wat allang verleden tijd had moeten worden. Uit die lichamelijke spanning kwamen weer nieuwe problemen voort. Ook hij zocht naar een uitlaatklep voor de adrenaline, zocht gewelddadige situaties op en belandde zo op een lijst met jonge veelplegers. We hebben vaak niet door hoe bepalend onze lichamelijke impulsen zijn voor onze reacties. Als deze jongens zoveel lichamelijke stress ervaren, en ze zich steeds extremer moeten afleiden daarvan, hoe kan het dat dat fysieke element in wetenschappelijke literatuur vaak nog onderbelicht is, vraag ik me hardop af.

‘Ik zou daar graag meer onderzoek naar willen doen’, zegt Roks, ‘naar de lichamelijke responsen van mensen in het criminele circuit. Het straatleven wordt geportretteerd als iets romantisch, maar als je continu over je schouder moet kijken omdat je mensen hebt belazerd, dan moet dat zijn tol eisen, ook voor het lichaam. Dan weer even terug naar drill: we zoomen nu vaak in op de negatieve kanten ervan, het verheerlijken van geweld, wat soms terugslaat op de realiteit – wat zeker een gevaar is. Er is ook een creatief en transformatief element aan verbonden, wat nu vaak ondergesneeuwd raakt. Deze jongeren vinden een manier om zich te uiten, om vorm te geven aan gevoelens die in de maatschappij nergens anders een plek vinden, aan trauma’s zelfs en ontladen daarmee hun spanning. Spanning die zich anders weleens heel destructief kan vervormen. Het is een precair evenwicht, waarbij ik denk dat we meer kunnen inzetten op het begeleiden van jongeren naar een minder destructieve boodschap in plaats van de muziek zelf weg te willen nemen. Als deze jongeren plezier en betekenis vinden door bezig te zijn met muziek, dan is gewelddadige muziek paradoxaal genoeg ook een stap weg van de straat.’